Drie vragen over… professioneel zeggenschap

Deel dit bericht:

Ken je dat? Van die vragen die vaak niet gesteld worden, maar waar je wel het antwoord op wilt hebben. Aafje legt ze wél voor. In de rubriek ‘Drie vragen over …’ stellen we een collega drie kritische vragen over een specifiek onderwerp. Dit keer is Petra Veninga aan het woord over professioneel zeggenschap in de zorg. Een aanpak die vaak wordt gezien als dé oplossing voor betere zorg en behoud van personeel. Maar is dat ook echt zo?

Vraag 1. Jullie deden vorig jaar al mee aan de Landelijke Monitor Zeggenschap binnen de wijkverpleging. Welke resultaten hebben jullie verrast (positief óf negatief)?

“Wat vooral opviel, is dat we hoog scoorden op de informele zeggenschap. Medewerkers ervaren dat ze invloed hebben en dat is mooi om te zien. We zagen ook dat de formele zeggenschap nog verder versterkt kan worden. Daarvoor zouden we de stuurgroep kwaliteit en de VVAR beter moeten positioneren. Ook bij bredere onderwerpen, zoals opleiding en medewerkerlsbeleid. Want voldoende gekwalificeerde collega’s zijn essentieel voor het verder vormgeven van formele zeggenschap.

Wat ons wél verraste, waren de grote verschillen tussen teams. Sommige scoorden opvallend hoog, andere juist laag. Dat ligt misschien aan de functiemix (helpenden ervaren vaak minder zeggenschap) of aan de manier waarop de vragen zijn ingevuld. Het belangrijkste is dat die verschillen het gesprek op gang brachten. Waarom ervaart de een veel ruimte en de ander niet? Die kennis is minstens zo waardevol als de cijfers zelf.”

Vraag 2. De monitor geeft inzicht in formele en ervaren zeggenschap. Hoe voorkom je dat de uitkomsten ‘blijven hangen’? 

“Voor de wijkverpleging hebben we de jaarplannen opgesteld met de VVAR, de centrale cliëntenraad en de stuurgroep kwaliteit. Dat is nieuw en zorgt ervoor dat de plannen veel breder worden gedragen. Een volgende stap zou kunnen zijn om nog meer uitvoerende professionals van verschillende functieniveaus uit te nodigen.

We onderzoeken nu met de VVAR de vervolgstappen voor de doorontwikkeling van formele zeggenschap. Een programmamanager of Chief Nursing Officer zou bijvoorbeeld helpend kunnen zijn. Uiteindelijk gaat het erom dat de beroepsgroep van de bestuurstafel tot afdelingsniveau proactief betrokken is bij beslissingen. Er is dus al best veel in gang gezet, maar niet alles is gelijk zichtbaar voor iedereen.

“Jonge mensen kijken kritisch bij het kiezen van een nieuwe baan. Juist daarom moeten wij blijven investeren in zeggenschap en professioneel leiderschap.”

Vraag 3. Zeggenschap moet leiden tot betere zorg en minder verloop. Welke harde cijfers laten zien dat de investering al z’n vruchten afwerpt?

“Het is eigenlijk nog te vroeg om de effecten in cijfers te zien. Wat we wel merken, is een stuk bewustwording. Medewerkers beseffen steeds meer: ik mag iets vinden en mijn stem doet ertoe. Maar zeggenschap gaat niet vanzelf. Dat moet je echt stimuleren en faciliteren. En dat doen we nog lang niet altijd goed. We merken nu bijvoorbeeld dat sommige medewerkers niet goed weten wat zeggenschap is, of hoe ze dat vorm kunnen geven. We zien ook collega’s die laaggeletterd zijn of niet goed kunnen omgaan met technologie. Daar moeten we beginnen. Want het gaat wel echt over professionele zeggenschap op basis van kennis en kunde. Niet om zomaar een mening.

Plus: zeggenschap is voor de ene medewerker vanzelfsprekend, voor de ander nog spannend. Door ervaringen te delen en voorbeelden te bespreken, wordt het steeds concreter. De rol van teamcoaches en teamleiders is hierbij belangrijk: zij kunnen medewerkers stimuleren en faciliteren en signalen mee terug nemen naar de organisatie.”


Heb je dit gelezen, en blijf je zitten met een prangende vraag? Stel ‘m aan Petra: e-mail naar en zet in de onderwerpregel: ‘Drie vragen over professioneel zeggenschap’.